Johannes Jacobus Slaterus heeft een geheel eigen bewerking gemaakt van de fabels van Phaedrus. Blijft David van Hoogstraten met zijn vertaling, die enkele jaren eerder verschenen was, dicht bij de oorspronkelijke Latijnse tekst, Slaterus laat nu en dan zijn rijmfantasie de vrije loop en goochelt met woordspelingen:

Als voorbeeld een deel van fabel 9, de mus en de haas:

 
Slaterus:
De Haes kreet overluit, na dat de Adelaer
Hem als een Franschen Martelaer,
Te grof mishandelt had met zyne forsche klaeuwen.
De Musch, de Snapster, om hem wreeder te benaeuwen,
Zei: Hazekop, hoor hier! steek op t langwerpig oor!
Vermaerde Looper! Hoe! waerom niet, als te voor,
Geloopen? Maer terwyl de Musch dus komt te kallen,
Heeft haer gansch onvoorziens een Havik overvallen.
 
van Hoogstraten:
Een Arent greep den Haes uit roofzucht aen ,
Die kermende en ten uiterste verlegen
Nog van de Mufch deze aenspraek heeft gekregen:
Hoe is dit zoo, dat gy, zoo snel te voet,
Nu tot een proi uws vyants strekken moet?
Dus spreekt zy: maer een Havik, fel in ’t rooven,
Krygt haer in ’t oog, en komt haer op van boven,
En grypt en ryt haer jammerlyk van een,
In weerwil van haer klagen en geween.  
 
Slaterus:
Zy schreeuwt vergeefsch: Help! help! de snapster wordt gedoodt.
Dit deed oomkool noch goed in zynen jongsten noot.
Dees zieketrooster roept: Slyp! slyp! gy neuswys wigtje,
Dat my thans heeft bespot,
Beschreit nu slimmer lot!
Een Haes is ’t die nu lacht om zulk een Uitvaertdichtje.
 
van Hoogstraten:
Toen sprak de Haes in ’t midden van zyn lyden:
Strak durfdege u in myne doot verblyden:
Maer nu treft u, tot loon van uwen spot
En smaet, my aangedaen, het zelve lot.
 

Slaterus maakt graag gebruik van spot (bijv. de verwijzing naar de “Franse martelaar”), ook al waarschuwt deze fabel tegen teveel spotternij:

 
Geen vermaekelyker Justitie,
Als even wen Joost Spotter zelfs eens raekt in d’ Inquisitie.
 

Ook verwijst hij vaak naar de politieke situatie: In fabel 2, waarin de kikkers een koning verlangen, laat Slaterus duidelijk weten dat hij voorstander is van de Republiek:

 
Zoo gaet het als men staet naer Staetsveranderingen.
Zyt gy Republicain, tracht niet naer hooger dingen.
Een oprecht Zwitser zingt: Wilhelm ben ich der Tel;
Que vive la roi, hy niet ligt zingen zel.
 

Trots op zijn (republikeins) Zwitserse afkomst, wrijft hij het er in de vijfde fabel (van de koe, de geit, het schaep en de leeuw) nog eens flink in bij zijn lezers:

 
Hoe het hedendaegs toegaet, in de Landen daer Koningen en Vorsten den Scepter zwaeien, weet niet ter dege: ook is my daer luttel aen gelegen. Ben Scholastyk, meer als Polityk.
Godt dank! Wy leeven in een goede Republyk.
 

David van Hoogstraten was daarentegen een bekend voorstander van de Oranjes. Hij had zijn werk opgedragen aan “AEN DE DOORLUCHTIGSTE HOOGGEBORE VORSTINNE AMELIA, DOOR GODTS GENADE PRINSESSE VAN NASSAU, GEBORE VORSTINNE TE ANHALT, HARTOGINNE TE SAXEN,” etc.

Het wordt duidelijk dat Johannes Jacobus Slaterus een heel andere vertaling van de Aesopische fabels wilde maken: niet serieus (als van Hoogstraten) door een precieze vertaling en een overvloed aan wetenschappelijke aanmerkingen.

Nee, hij wilde het speelser, vermakelijker, kritischer… Hij had hierbij vast een ander lezerspubliek voor ogen: zijn eigen leerlingen van de Latijnse school.

Kritisch was hij ook op de “groo groo groote Hee Hee Heeren”:

 
Kies geen grooter medemaet. Want het was ten tyde van Vader Phaeder niet goet, met groo groo groote Hee Hee Heeren ker ker kerssen te eeten; zy koo koo koozen de groo groo grootste, en smeeten in het lae lae laetste met de stee stee steenen [=pitten], dan ging men hee hee heenen, somtyds naer Wee Wee Weenen, verre buiten Kroostenryk.
Hoe het hedendaegs toegaet, in de Landen daer Koningen en Vorsten den Scepter zwaeien, weet niet ter dege: ook is my daer luttel [=weinig] aen gelegen. Ben Scholastyk [=geleerde in de theologie/wijsbegeerte], meer als Polityk.
Godt dank! Wy leeven in een goede Republyk.
 

En in fabel 7:

 
Hooge huizen zyn somwyl onder het dak ten eenenmaele leeg;
en onder lange witgepoeierde paruiken zitten dikwyls weinig harssenen
 

Dit woordgebruik ken ik van hem uit zijn autobiografie als in 1706 hij gepasseerd wordt bij de benoeming van een Lector Publicus in Zutphen:

 
MDCCV. Dit jaer begon te komen in consideratie [=in overweging] tot het vacante Professoraet te Zutphen.
Maer MDCCVI hebbe dien aengaande tot mijn leedwesen ondervonden hoe luttel staet te maeken is op de belof­ten der groote Hee Hee Heeren.
 

Er klinkt heel wat frustratie door in zijn woorden! Als hij een jaar later alsnog benoemd wordt tot Lector, klinkt het opeen heel anders:

 
MDCCVII. Den 6. Julii, op woensdag, ben door de bijson­de­re goedheit des Albestierders van den Edelmogende Staeten der Graafschap Zutphen, ‘k wil seggen, Ridder­schap en Steden verkoren tot Lector Publ[icus] [=open­baar lezer] in de Welspreekentheid en Historien, in plaatse van wijlen de Heer Lomeijer.
 
NB. H[ee]r Flottemenville, en de jonge D[ominus] Bekker liepen mis.
God alleen de Eere.
 

Hij wilde er blijkbaar maar al te graag bij horen…