Tags

, , , ,

De afgelopen weken zond de NTR de boeiende serie “De slavernij” uit, waarin Daphne Bunskoek en Roué Verveer op zoek gaan naar de rol van Nederland in de slavenhandel en tewerkstelling van de slaven op de plantages, m.n. in Suriname. Ook onze familie is daarbij betrokken geweest. In 1827 vertrok Sander Louis Slaterus naar de “kolonie Suriname”. Sander Louis was op 17 januari 1803 in Amsterdam geboren als jongste kind van Johannes Jacobus Slaterus en Anna Elisabeth Rodenbroek.

Hij werd directeur van diverse plantages. Deze plantages waren meestal in bezit van eigenaren en investeerders in Nederland. De administratie werd verricht vanuit kantoren in Paramaribo. Deze namen voor de dagelijkse gang van zaken een directeur in dienst die op de plantage zelf woonde.

We weten precies wanneer Sander Louis in Suriname aangekomen is, omdat er een aantekening bewaard is dat zijn kleindochter Alexandrina Henriëtte Slaterus in bezit was van de attestatie “van de Kerkeraad van de Gereformeerde kerk te Amsterdam dd. 25 October 1827 afgegeven aan Alexander Louis Slaterus bij zijn vertrek naar Suriname om tot het Heilig Avondmaal, zoo gewenscht, te worden toegelaten.”

In de “Surinaamsche Almanak” van 1835 vinden we zijn naam terug als directeur van de “koffieplantage Saltzthalen, groot 1066 en ½ akkers, 62 slaven, gelegen aan de Commetewane-kreek.”

Tussen 1837 en 1843 was hij directeur van de “koffieplantage Mariënburg, groot 1000 akkers, 100 slaven, gelegen aan de Commewijne.” Deze plantage zou later vergroot worden en bekend worden om zijn suikerriet. De plantage bestaat nog steeds en is een trekpleister voor toeristen.

Surinaamsche Almanak, 1847

In 1847 vinden we zijn naam in de almanak als directeur van de “suikerplantage Canawappibo, groot 2000 akkers, 154 slaven, gelegen aan de de mond der Caramacca-kreek.”

Tussen 1858 en 1860 is Sander Louis directeur van de “houtplantage Hanover c.a., groot 5136 akkers, 202 slaven, gelegen aan de Para, rechts in het afvaren.”

Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 was hij, volgens de database van het Nationaal Archief, directeur van de plantage Zeldenrust en Welgelegen.

In de 18e eeuw leefden de directeuren met hun gezinnen op (te) ruime voet en gaven ze meer geld uit dan er verdiend werd op de plantages. Dit leide tot veel faillissementen. Daarom eisten een eeuw later nieuwe eigenaren dat de directeur ongehuwd bleef. Wel kon hij een slavin als concubine nemen. Dat heeft Sander Louis dan ook gedaan: In de database “manumissies” van het Nationaal Archief in Den Haag, vinden we de vrijlating van zijn slavin Diana met haar vijf kinderen. Bij Gouvernements Resolutie van 5 februari 1846, no. 130, krijgt zij de familienaam Stavenis. Haar beroep is huishoudster en haar eigenaar / vrijlater is Sander Louis Slaterus. Op dezelfde dag komen haar kinderen vrij: Christina Hendrina, Louis Pieter, Laurens Hendrik,  Johanna Sophia en Johanna Christina (allen te jong voor een beroep). Bij G.R. van 4 november 1847 verlangt Sander Louis van allen naamsverandering van Stavenis naar Slaterus.

Sander Louis was daarmee de stamvader van de familietak in Suriname. Nog steeds leven er nakomelingen in Paramaribo en in Nederland.